|
Dit is geen verhaal zoals u ze gewoonlijk voorgeschoteld krijgt: dromerig, passioneel geschreven en voorzien van de nodige franjes, afgewerkt tot zowel ik als u erdoor bewogen worden. Het is geen verzameling superlatieven ter beschrijving van een onbekende god die eventjes mijn pad kruiste. Of misschien is het dat toch, maar dan niet in de gebruikelijke zin. Dit is een verhaal zoals ik het zou vertellen aan mijn marsman, op haar met een oosters deken verfraaide bed, bij een gedempt licht, met vochtige ogen en een hart dat huilt. Decoratie is dan overbodig, zelfs storend. Enkel de inhoud telt. De naakte waarheid tegen de witte achtergrond van mijn treurige gemoed. Treurig doch glimlachend omdat elk avontuur nu eenmaal een kant heeft die je tot glimlachen stemt, omdat het Mooi was. Mooi zoals enkel ware gebeurtenissen en échte mensen mooi kunnen zijn. Het was juli 2005 toen ik hem voor het eerst leerde kennen. Ik zag drie weken tegemoet waarop ik de brandende zon slechts achter glas zou kunnen voelen. Drie weken waarin de hoofdverpleegster me vernietigende blikken toewierp omdat ik de reglementaire kledij voor onderhoudspersoneel aan mijn blote voeten lapte en veel te “naakt” met mijn kuiskarretje door de gangen van het rusthuis fladderde. Zesentwintig kamers op de eerste verdieping. Elke dag datzelfde ritueel, diezelfde praatjes met de oudjes, diezelfde blunders die ik steevast maakte. Eén bewoner was een brompot, een knorrende oude knar die me van achter zijn krant toesnauwde wanneer ik zoals gewoonlijk zijn kamertje de opgelegde poetsbeurt gaf. Kamer 131 aan het einde van de gang. Ik was op slag verliefd op die lieve oude man die het haatte als een klein kind behandeld te worden. Achter die norse mond zat een geestige lach verscholen en zijn ogen konden ook glimlachen als hij ze eens niet fronste. Roger. Na drie weken begon hij me te mogen. Hij keek zelfs op als ik ‘m een prettige dag wenste in de gang. De tijd verstreek tot ik in januari van dit jaar weer in dat inmiddels vertrouwde gebouw iets minder naakt een weekje jobstudent speelde. De uren vlogen voorbij maar er was geen dag waarop ik niet even bleef plakken op dat kamertje aan het einde van de gang op de eerste verdieping. Zijn wantrouwen was verdwenen, ik had de test doorstaan. Weer vertrok ik maar ik wist dat ik terug zou komen. Ik beloofde dat hij eregast zou worden als ik ooit zou trouwen. Hij grinnikte en vermeldde quasi-achteloos dat ik hem tegen die tijd al lang vergeten zou zijn. Ik voelde de aarzeling in zijn stem en een brede glimlach vertrok vanuit mijn hart tot aan mijn gespreide mondhoeken: “Ik zou je nooit vergeten, Roger.” Ik hield mijn belofte. September 2006. Deze keer gunde ik mezelf ongehoorde clandestiene pauzes die ik steevast doorbracht op dat kamertje 131. Hij zou z’n krant opzij leggen wanneer ik mijn stofdoek naast me neerlegde op zijn grote bed. We zouden praten over het verleden en de toekomst, over de regelmaat die onvermijdelijk was in zijn door anderen georganiseerde bestaan en over wat ik wel zou studeren straks. Ik zou zijn kamer rondwandelen en mijn blik laten rusten op een prachtige antieke foto met mensen in oude pakken en met gekke kapsels van weleer. Zie je dat baby’tje rechts onderaan, zou hij zeggen, dat ben ik. Ik zou luidop lachen, de twinkelingen in zijn ogen voelen dansen in de mijne. Ik zou mijn stofdoek van het bed nemen en mijn taken stilletjes hervatten: “Tot later Roger!”. Op een winderige dag in november ging ik hem bezoeken maar tot mijn grote ontsteltenis was hij er niet. Ziekenhuis. Longontsteking. Enkele weken later vertrouwde mijn memeetje me toe dat hij weer thuis was “om hier dood te gaan”. Hij hoestte en proestte en kon moeilijk praten, maar ik voelde zijn wangen nog steeds blozen als ik hem een afscheidskusje gaf. “De verpleegsters plagen me, omdat ze weten dat ik een vriendinnetje heb.” Zeven dagen geleden bracht ik hem ongepland nog een bezoekje. Hij lag in bed, een buisje met zuurstof in z’n neus, ingevallen wangen en doffe ogen. Hij wilde spreken en kreeg geen geluid meer uit zijn mond. Ik schrok en tranen sprongen in mijn ogen. Ik die anders nooit om woorden verlegen was, zat daar met mijn mond vol leegte. Ik nam zijn hand en wreef er zachtjes over. Na een stilte fluisterde hij dat hij ging slapen. Hij keek me aan en sprak de laatste woorden die ooit vanuit zijn mond mijn oren zouden bereiken: “Suzanneke, merci”. En hij stierf. Minder dan vierentwintig uur later. Ik haal mijn schouders op en weet me zo meteen geen houding te geven op dat zachte bed van mijn marsman. Om de pijnlijke stilte te vermijden vertel ik nog een laatste anekdote: “Ik zat in de cafetaria iets te drinken met Roger en zijn dochter en schoonzoon. Ze vroeg wat ik later wilde worden. Schrijver, antwoordde ik. En heb je al een schuilnaam, wilde haar man weten. Ik glimlachte. Ik noem mezelf Cécilia, zei ik aarzelend. Roger keek op en tranen sprongen in zijn hartelijke ogen: zo heette ook mijn vrouw.” Sommige mensen leer je te laat kennen. Sommigen zijn mooi om wie ze waren. Sommigen om wie ze zijn en zullen blijven. U las zoals ik ook zou praten. Zonder gekunstelde zinnen. Zonder randversieringen. De doodgewone waarheid zoals ze in zovele kamertjes van het rusthuis gesproken wordt. Ik zal hem missen, Roger, mijn alleroudste vriend. Zachtjes huilend, je Cé(cilia)
04-12-2006, 00:11:50 La fille Cé.
|