|
Gorazde, tijdens de oorlog een moslimenclave omringd door bergen vol Serviërs, is in het bezit van een brug die net iets meer heeft dan andere bruggen. Onder haar zichtbare weg, hangt een voetgangersbrug, goed verscholen voor sluipschutters vanuit de bergen. Deze brug stond de inwoners van beide oevers toe elkander te bezoeken zonder neergeknald te worden. Deze voetgangersbrug liet ons gedrieën over haar gesloten hekje kruipen, ze deed ons daveren van hoogtevrees en angst voor de kolkende rivier onder ons. Ze bezorgde ons een hartverwarmend moment wanneer wij onze namen en het eeuwige vers van Lucebert in rode graffitistift tussen andere zielen krabbelden: “Alles van waarde is weerloos”. Noem ons vandalen maar ik beloof u, beste lezer, dit is zowat het enige wat we buiten de wet om uitgespookt hebben. Waarop we onze nachtelijke tocht verderzetten en bij de verlichte moskee aankwamen. We verorberden pasverworven delicatessen op de bankjes bij de ingang van het gesloten gebouw. Dit meisje dommelde even in en werd brutaal gewekt door Bosnische politieagenten die om haar identiteitsbewijs vroegen dat ze, hoe is het mogelijk, niet bij zich had. Daar de agenten slechts Bosnisch spraken en wij ons enkel konden bedienen van Duits, Frans, Engels en Nederlands, verliep de communicatie nogal moeilijk. Zij pleegden verscheidene telefoons en hadden ons bijna in hun auto meegenomen. Mijn afschuw voor ’s werelds ordehandhavers is er niet minder om geworden. Maar wij ontsnapten. Zoals steeds. {heldhaftige formulering voor de uitkomst van een vruchtbare onderhandeling in gebarentaal ~ met vele dank aan de archeoloog} Srebrenica. Allerminst koester ik de intentie hier een amateuristische geschiedenisles te berde te brengen. Haar impact zal overigens nooit die van een bezoek evenaren. Juli 1995. Meer dan achtduizend mannen, jongens, vaders, broers, zoons, ooms en vrienden werden toen afgeslacht omdat ze Bosniër waren, omdat ze moslim waren. Zij werden op brutale wijze gescheiden van hun vrouwen, dochters, zussen en moeders. De mannen werden vermoord. De vrouwen verkracht, beroofd van hun eer en hun mannelijke familieleden. De aanblik van de begraafplaats van Srebrenica was al genoeg om me van m’n adem te beroven. Witte grafstenen zo ver als je kijken kan en centraal een enorme grafsteen waarin de namen van de reeds geborgen lichamen te lezen zijn met geboortejaar. Twaalf jaar was de jongste “man”. Youssef. Het doet nog meer pijn wanneer ze namen en gezichten krijgen… Binnen kregen we beelden en verhalen te zien die me zo diep raakten dat ik er tot op vandaag nog tranen in de ogen om kan krijgen. Meer dan tien jaar na de feiten zijn nog steeds amper een vierde van de lichamen geborgen. Vrouwen die elke dag naar de lijkschouwers trekken om te horen dat hun dierbare nog steeds niet opgegraven is… Misschien moet ik even m’n logboek van die dag citeren: “Waarom schrijven wanneer geen woorden voorhanden zijn. Recht in het hart. Gescheiden en vermoord. Moedige vrouwen, zij die achterblijven, beroofd van hun vaders, mannen, zoons, neven en ooms. Hun ogen, hun blik, hun stem die trilde wanneer zij hun verhaal deden. Srebrenica. Ik kon het eerst niet onthouden. Bosnië heeft me hier keihard geraakt. Vrede. Ooh Eeuwige, geef ons vrede. Welke god ook, JHWH, Allah of Jezus, laat ons nimmer vergeten dat wij broers en zussen zijn.” En even spijt het me dat ik dit relaas niet vroeger aangevat heb. Details en anekdotes sijpelen namelijk uit m’n herinneringen zonder dat ik er erg in heb. Luttele dagen geleden nog, aanschouwden wij met een handjevol Bosnische restanten de film die ik op locatie draaide. Hoewel ik amper Bosnië filmde en des te meer de marginale toestanden onder onze vrienden, was één shot genoeg om ons allen weer heimwee te doen krijgen. Onze reis leidde verder nog langs de brug over de Drina uit het befaamde en gelijknamige boek en maakte nog een tussenstop aan een voetbalveld waar wij twee nachten vertoefden, voortreffelijk aten en genoten van het fenomeen: “duo-toilet”, zij het op zijn Frans uiteraard. Wij waren er getuige van een magistrale voetbalinterland tussen Bosnia en Belgium. Meermaals toonden onze vrouwelijke voetbalsters dat zij allerminst moesten onderdoen voor hun mannelijke opponenten. “M. voor wie ik geen bijnaam vind” krijgt hier haar eervolle vermelding daar ze fantastische voetbalbeelden oplevert op de film en uiteraard ook de vrouw die een Bosniër zodanig tackelde dat hij uren later nog mankte… Misschien ook nog even vermelden dat de buschauffeur op die plek zijn fameuze: “De vrown kunn nog goe undern string trekn”, vrij vertaald als “De vrouwen kunnen nog goed hun string trekken”-uitspraak deed en daarna geïmiteerd werd door zowat elk mannelijk individu dat niet cameraschuw was. Prachtige beelden overigens… Onze laatste twee dagen brachten we door in Maglai, alwaar het heimat van de Balkanactie gelegen is. We sloegen voor het laatst onze tenten op en dit keer langs een vervuilde rivier geflankeerd door een fabriek die bij nachte vreemde geluiden begon te produceren. Dermate vreemd dat bepaalde medereizigers een strooptocht ondernamen naar “kleine grijzen en andere buitenaardse wezens”. Van hun quasi-geslaagde missie konden zij erg flagrant beeldmateriaal voorleggen waarop groen licht en een duidelijke ufo-vorm te zien waren… Ik was geen getuige maar wel een directe aanhanger van hun verhaal… Maglai was om vele redenen een hoogtepunt van onze reis. Uiteraard heeft het als eindstation een grote emotionele waarde. Daarbij komt nog dat onze kampplaats voorzien was van een hoogtechnologisch snufje: een Frans toilet en douche in één hok. Maar ook de échte Bosnische koffie die ik er voor het eerst proefde heeft er iets mee te zien. Ik hoef m’n ogen maar te sluiten om die authentieke geur weer op te snuiven. Ik glimlach wanneer ik terugdenk aan die volle warmzoete smaak die het kopje gitzwarte vloeistof me bood. En hoe ook het oog verwend werd met een koperen plaatje, een goudkleurig krullerig theepotje en een schaaltje met twee Arabische gommetjes naast het kleine kopje. Zo overheerlijk dat we er nog eentje gingen drinken zo’n halfuurtje voor ons vertrek. Verder doet Maglai me terugdenken aan het verfrissende openluchtzwembad en de voortreffelijke massage die ik er kreeg van diezelfde persoon die twee posts geleden reeds vermeld werd. Het zou ook zonde zijn om hier niet de communistische malen die wij op vele plaatsen maar vooral daar ter plekke verorberden te vermelden. In een eethuis bestelden wij er alle pizza’s die men nog over had, zijnde acht, en twee flessen wijn en verdeelden die onder vijftien man en vrouw. Wiskundige zielen berekenden dat vier stukken per persoon voldoende moesten zijn maar het was heerlijk te zien hoe menig persoon hapjes bij z’n buurman nam en vice versa. Maar ook de dagen voordien stelden wij onze malen samen en groupe: jij de kaas en ik het brood, wij de Fanta Shokata {voor de leek, dit is Fanta met Bosnische bloemetjes} en jullie de chocolade als dessert. Maglai en daarmee ook Bosnië eindigde in een tweede verjaardagsfeest vergezeld van poëtische bedankingen van de begeleiders. Dit duurde tot in de vroege uurtjes tot de laatste ziel “lakonotsj” ofte slaapwel gezegd had en zijn tent voor de laatste maal opzocht. De busrit huiswaarts was gemoedelijk en gekker dan ooit met yoghurt die op hoofden, in oren en op dubieuze kledingstukken terechtkwam en eindigde in innige omhelzingen en evenveel beloftes om reünies te houden. Voor ik dit hoofdstuk afrond, rest me dan enkel nog Fieliep te vermelden, de kleine schorpioen die de bioloog, de archeoloog en de marsman adopteerden na één van hun speurtochten. Uit betrouwbare bron heb ik vernomen dat hij het goed stelt, na twee weken gereisd te hebben in brillendozen en snoeptrommels. Aan alle reisgenoten: Spank you!
15-08-2006, 01:32:09 La fille Cé.
|