Bosna i Herzegovina. Ik mag het niet langer uitstellen. Het schrijven moet beginnen of ik zal er niet meer toe raken. Mijn overweldigende weken blijven rondsluimeren in mijn hoofd maar vinden slechts moeizaam hun weg naar mijn vingers op dit eindelijk terug normale toetsenbord. Men durft wel eens zeggen dat mijn pathos wat weggeëbd is de laatste tijden. Ik waag me aan dialogen en vrolijke verhalen tot grote spijt van zielsverwante vrienden en/of aanhangers.
Ik laat het verhaal beginnen op een ochtend op een scoutskamp waar wij ons bevonden. De zon brandde op de rug van de oranje stringtent die m’n marsman en mezelf de hele zomer meeslepen. Een opgewekt deuntje vult de kampplaats en een geroezemoes bereikt onze oren. De resten van de vorige nacht nog uit onze kleine oogjes wrijvend, strompelen wij uit onze biotoop en aanschouwen een reeds vertrouwd tafereel. Bosniërs en Belgen in een symmetrische figuur rond een vlaggenmast, de armen strak naast het lichaam gehouden, de ogen vol pret en plezier. Een kleine Bosnische scout stapt parmantig naar het midden, waar hij of zij bijgestaan zal worden door een oudere. Samen zullen zij de Bosnische vlag ophijsen terwijl het volkslied op de achtergrond klinkt. Het is een liefde die wij al lang verloren hebben, die liefde voor je thuishaven, de schoot van je bestaan.
Vol schaamte omwille van dit gemiste ritueel, reppen we ons richting bergwater dat uit ’n douchekraan stroomt en brullen van de kou terwijl onze kampgenoten een ovenkoek met tweekleurenchoco verorberen. Het is onmogelijk te beschrijven welke impact die eerste week Bosnië op ons allen had. Was het de vrolijkheid, de vriendelijkheid van de Bosnische jongeren? Was het hun vrijgevigheid en gastvrijheid? Of hun eeuwige relativeringsvermogen gecombineerd met een immer loom genieten: “Bamboodjah…”.
Het plekje waar wij leefden was gezegend met een fantastische buur: een meer. Een zonovergoten plek vol helder water en slingerplanten, waterslangen en kleine kikkertjes. Daar ergens begon het groepsgevoel, toen wij met z’n allen die grote poel overzwommen, heen en terug, voor eeuwig “De Groote Oversteek” gedoopt. Drie kwartieren later was “Victory!” van ons. Dat meer. Tranen van heimwee vullen mijn ogen wanneer ik terugdenk aan alle avonturen die we daar beleefden. En plots krijg ik het moeilijk mijn belofte van hier geen namen te plaatsen te houden.
Zoals we daar drie nachten op rij lagen in het gras aan de oever. Mijn décotévriendin en mezelf rustend op de borst van onze… onze… onze Kareltje, Pedro, schildpad… De mooiste sterrenhemels uit mijn levensgeschiedenis. Bij elke vallende ster dezelfde wens… Diezelfde wens… Datzelfde meer waar Kareltje en mezelf het beruchte “gatoogevecht” hielden en uiteindelijk ’s nachts uit de kleren gingen en het water instapten, enkel omringd door de nacht met haar hemelse pracht… Het meer waar de plaatselijke jeugd steevast met hun tweeliterflessen pivo en hun spotgoedkope pakjes Drinasigaretten hun gitaren bovenhaalden en de nacht betoverden.
Wat nog meer? De langharige mannelijke scouts, met de vlechtjes in hun baarden en de liefjes aan hun armen. Hun eeuwige gelach, hun grappige spelletjes aan de Neretva-rivier, hun grappige woorden. De Bosnische meisjes, slank en fantastisch mooi met hun zwarte haren en hun gestroomlijnde gezichten. De kindertjes die mijn marsman één voor één gelukkige verjaardag kwamen wensen die bewuste 23 juli. Het kampvuur. Het kampvuur waar ik de eerste avond mijn cultuurshock kreeg en die ontdooide aan de warme vlammen, waar onze gekke ex-leraar met tranen in z’n ogen voorspelde dat we hier ons hart zouden verliezen, al was het maar voor even. Het kampvuur waar we “Het is een nacht” verkrachtten tot een marsman-verjaardagslied, waar ik mijn marsman volwassen zag worden en haar het anarchistische boek overhandigde… Waar we het immer in mijn hart gebrande “Bosnia Bosnia-lied” zongen en waar we knuffulden en sommigen kusten…
Groot was de heimwee toen we met z’n allen bij de goedhartige buschauffeur onze rijdende biotoop weer opzochten en ons klaarmaakten voor de tweede reis, het tweede avontuur, de tweede confrontatie met onszelf en de werkelijkheid.
Die bus op zich was al een waar fenomeen… We leerden er met z’n allen een Hari Mata Hari –lied, hielden er marginale zangstondes met Hollandse schlagerkoningen afgewisseld met enquêtes en praatuurtjes met de Flair onder onze neuzen. We kampten met kapotte airco bij broeikastemperaturen en lieten eens bijna het toilet overstromen met onze uitwerpselen daar het niet meer doorspoelde… We sliepen in het gangpad en in elkaars armen, we schreven briefjes en gedichtjes, we sleepten dagboeken en andere geschriften mee, we aten en dronken en morsten in die malle bus…
Sarajevo, Gorazde, Srebrenica, Maglai, Tuzla… En ik vergeet er nog wel een paar. We sliepen in Sarajevo na een week voor het eerst weer in een bed en konden een uur lang genieten van warm water. Geloof me, een ongelooflijk geschenk… Daar was het dat ik een internetcafé vond en u allen een teken van leven gaf. Daar hebben we de lekkerste koekjes en bakkerij-specialiteiten geproefd sinds jaren. Daar hebben we mortiergaten in de grond aanschouwd, door kunstenaars opgevuld en tot eeuwig straatmonument verheven. Daar hebben we de tunnel gezien waar mannen amper konden rechtstaan toen ze tijdens de oorlog wapens en andere dingen binnen-en buitensmokkelden… Sarajevo heeft me voor het eerst knock-out geslagen met haar verhalen. Als ik me niet vergis heeft deze prachtige stad de laatste eeuw drie oorlogen overleefd…
Gorazde was een fantastisch punt. Mijn marsman, haar archeoloog, haar Joe Sacco strip “Gorazde”, een rode graffitistift en mezelf… Na een hete en emotionele dag waarin we een rondleiding kregen van een Nederlandstalige inboorlinge en Pasha de mini-hagedis even mijn lichaam behuisde, waagden ons drieën zich aan een avondlijke wandeling.
Maar hier hou ik even op omwille van de grote druk van buitenaf. Ik post reeds dit en verblijd u morgen met de rest van het verhaal… Wordt vervolgd…